Feit is, dat in 1271 twee christelijke monniken op reis gaan naar het hof van Kublai, de Groot-Khan van de Mongolen. In deze roman is een van hen, de Venetiaanse arts-monnik Pietro, de verteller. Hoewel zijn dagboek en persoon fictief zijn, berust veel van wat hij meemaakt op historische gegevens.
In het Heilig land, waar christelijke en islamitische heersers met elkaar strijden, ontmoet hij de Venetiaanse koopman Marco Polo, diens vader en diens oom. Samen trekken zij verder oostwaarts, door steppen en woes…





